donderdag 4 december 2014

Over tradities en de toekomst

Tradities kunnen heel hardnekkig zijn. Dat zien we nog regelmatig in de Chiro. Op grote evenementen, waar we nog heel af en toe leiding zien in de uniformen van de jaren 50. Op cursussen, waar leiding aan elkaar vertelt welke speciale gewoonten ze hebben, zoals de werking beginnen met een gebed of een groet aan de vlag. Veel van die zaken zijn overblijfselen uit wat de meesten beschouwen als een afgesloten tijdperk. Ze worden dan ook geregeld op ongeloof onthaald, maar de groepen in kwestie zijn trots op hun tradities.

Hoe hardnekkig tradities kunnen zijn, wordt vooral zichtbaar op momenten dat daarover onderhandeld moet worden. Dat leiding uit andere groepen maar niet kan begrijpen dat je je leden sjaaltjes laat dragen of dat je nog ‘Ons bruine vendels’ zingt, daar kun je gemakkelijk je schouders over ophalen en gewoon verder doen zoals je het gewoon bent. Maar op het moment dat een jongens- en een meisjesgroep fusioneren, kan zoiets echt ter discussie staan – en meestal gaan dan de poppen aan het dansen. Gewoonten die elkaar niet uitsluiten zijn meestal geen probleem, die worden gewoon allebei overgenomen. Maar sommige staan elkaar in de weg: je kunt een Chironamiddag maar op één manier beginnen, bijvoorbeeld. Of: én een mosselsouper, én een spaghettifestijn, dat is een beetje te veel van het goede. In het beste geval wordt dan een soort koehandel gevoerd: de ene keer geldt de traditie van de ene groep, de andere keer haalt de andere groep haar slag thuis. Over het evenwicht in hoeveel toegevingen beide groepen moeten doen, wordt streng gewaakt. Het lijkt bijna een regeringsvorming.

In andere situaties is de cultuurclash minder groot. Bij een fusie heb je duidelijk twee partijen die elk voor zichzelf opkomen. In andere gevallen worden tradities binnen de ploeg zelf in vraag gesteld. Soms gaat het zelfs over een landelijk fenomeen. Top 64 was bijvoorbeeld een hoogfeest van hoe de Chiro in de jaren 50 werkte: strak in uniform, gedisciplineerd, allemaal volgens dezelfde regels. Groepen marcheerden op zondag naar de mis, voor de activiteiten bestonden duidelijke handleidingen, enzovoort. Mei ’68 speelde ook in de Chiro een rol. In de jaren 70 werd er een nieuw uniform gelanceerd, de leden kregen meer inspraak, de hele organisatie werd democratischer. Die nationale evolutie speelde zich ook lokaal af, met lokale verschillen, en dus ook met verschillen in hoe drastisch de ommekeer was. Groepen die nu nog bruine hemden dragen en zingen over strijden voor Christus zijn er zelfs nog altijd niet mee klaar.

Hoe lokaler de gewoonte, hoe moeilijker het is om ze aan te passen. Het is ‘iets van ons’, en wie ertegen is, is dus ‘tegen ons’. Een activiteit als een doop in vraag stellen, was – en is, in een aantal hardnekkige gevallen – dus om problemen vragen. Toch zijn er mensen die dat zelf heel vernederend vonden, en die als leiding dus hun leden daar niet graag aan onderwerpen. Mogelijk passen ze daarom een aantal zaken aan, waardoor het een activiteit wordt die iedereen leuk kan vinden (en waarbij er geen voedsel verspild wordt) – dat is trouwens wat het officieel standpunt van Chirojeugd Vlaanderen aanraadt. Medeleiding die zichzelf niet in de hand heeft en het probleem niet ziet, kan dan wel nog altijd net dat stapje verder gaan. Maar als je het op de leidingskring ter sprake brengt, stuit je hoogstwaarschijnlijk op onbegrip. “We hebben het allemaal ondergaan, en er is niemand aan doodgegaan, dus wat is het probleem?” Zo herinner ik mij bijvoorbeeld ook dat het bij ons ‘traditie’ was dat de jongens tijdens het kerstfeestje voor de leiding de meisjes pestten: venijnige opmerkingen maken, hen openlijk uitlachen, enzovoort. Wanneer oud-leiders bijeen zitten, worden daar nog altijd cowboyverhalen over verteld, over wie ze allemaal hebben doen wenen en hoe ze dat bereikt hebben. Als er meisjes protesteerden tegen die traditie werden ze natuurlijk weggelachen. In mijn herinnering ben ik de enige jongen die er ooit tegen gereageerd heeft. Eén jongen vond dat zo’n onoverkomelijk probleem dat hij het kerstfeestje gewoon verlaten heeft. Zielig hé, als je niets aan een kerstfeestje hebt als je geen anderen kunt kleineren? Die ‘actie’ heeft mij trouwens ook heel wat opmerkingen opgeleverd, zij het wel heel wat minder scherp. Want “wat was het probleem eigenlijk”? Het was toch maar “om te lachen”?

Verandering van binnenuit heeft tijd nodig. Verouderde tradities worden keer op keer in vraag gesteld, maar zolang er niet genoeg mensen achter verandering staan, valt het protest telkens weer een beetje stil. Tot het opnieuw actueel wordt, en het duidelijk wordt dat we nog altijd even ver staan. Soms is zo’n evolutie nochtans pijnloos. Christus Koning wordt nog altijd in heel wat groepen gevierd, maar het is al lang geen kerkelijke bedoening meer. Daardoor heet het officieel ook al Chirofeest in plaats van Christus Koning, maar het blijft moeilijker om een naam te veranderen dan de concrete invulling. Op een gelijkaardige manier zijn op kamp de gebedjes voor het eten grotendeels vervangen door liedjes waarmee je evengoed je kookploeg kunt bedanken in plaats van God. Maar daaraan zie je ook hoe verandering mogelijk is: pas als er alternatieven zijn, kunnen tradities spontaan evolueren. Erover discussiëren, zeker zonder pasklaar alternatief, is moeilijk en valt dikwijls stil, al was het maar wegens praktische bezwaren. In 2010 gaf trouwens 70% van de Chirogroepen in de grootschalige enquête InZicht nog aan dat tradities aanpassen volgens hen een stukje van hun groep kapotmaakt.

Zo houden die tradities zichzelf ook in stand. Bij gebrek aan een alternatief legt iedereen er zich bij neer dat alles bij het oude blijft, of ze zijn zelfs blij dat het zo is. Wie er echt een probleem mee heeft, haakt af. Wie bruine hemden en vierkantsformaties te militaristisch vindt, zal ofwel naar een andere jeugdbeweging gaan, ofwel een andere hobby zoeken. Wie een doop niet plezant vindt, zal die activiteit overslaan. Als de medeleden daar een probleem van maken, zal dat lid mogelijk ook bij andere activiteiten thuisblijven. ‘Natuurlijke selectie’. Zolang er geen echte noodzaak is, wordt er niets veranderd, en dan moet je de noodzaak ook nog zien. Een groep met ledentekort zal waarschijnlijk wel denken aan wervingsacties, maar zal niet overwegen de tradities aan te passen die blijkbaar hoe langer hoe meer potentiële leden afschrikken.

Van jeugdbewegingen wordt dikwijls gezegd dat het een leerschool is voor het leven – en terecht. Je leert er samenwerken, verantwoordelijkheid opnemen, enzovoort. Onderhandelen over tradities kan ook zo’n vaardigheid zijn. Alleen hebben we in een jeugdbeweging een luxe die we in de samenleving niet hebben. Volgens de visie van Chirojeugd Vlaanderen is een lokale groep geen eiland, omdat we betrokken zijn op de buurt, maar er is toch een eilandgevoel: wie deel uitmaakt van de groep hoort erbij, en wie er geen deel van uitmaakt, daar maken we ons geen zorgen over. Er zijn namelijk andere jeugdbewegingen, er zijn andere hobby’s. Wie uit de boot valt, kan dus elders terecht, en zolang de groep draait, staan we daar verder zelfs niet bij stil. In de samenleving hebben we die luxe niet: daar is iedereen lid, en moeten we echt met iedereen rekening houden. En die iedereen, dat is hoe langer hoe diverser. Maar of je je nu verweert met ‘wij waren hier eerst’ of ‘wij zijn met het meest’, uiteindelijk zal je ‘argument’ zich tegen je keren zodra genoeg mensen reageren met ‘en dan?’. (In Amsterdam is ondertussen zelfs de grootste bevolkingsgroep een minderheid, en de meest standvastig aanwezige groep, de meest autochtone dus, zijn de vrouwen van Turkse origine. Antwerpen en Brussel gaan al dezelfde toer op. Dan vervallen die argumenten ook, je kunt er geen aanspraak meer op maken.) Volgens mij kun je dus maar het beste meegaan met je tijd en samen werk maken van een echte samenleving, in plaats van krampachtig vast te houden aan een vervagend verleden.


Jonge mensen leren onder andere door verhalen en tradities omgaan met de wereld. Die wereld verandert, en zelfs hoe langer hoe sneller. We hebben dus andere verhalen en tradities nodig, en dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel de ‘onze’ actualiseren, ofwel plaats maken voor nieuwe. Zeker als we niet eens meer weten waar de onze eigenlijk vandaan komen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten